Adriaen Valerius schreef zijn Nederlandtsche Gedenck-clanck waarschijnlijk in de jaren 1620-1624. Het is onwaarschijnlijk dat zijn overlijden op 27 januari 1625 een abrupt einde aan zijn manuscript maakte, aangezien de tekst niet lijkt af te breken. De Nederlandtsche Gedenck-clanck is geen liedboek, maar een geschiedenisboek dat de zogenaamde Tachtigjarige Oorlog tussen de Lage Landen en Spanje beschrijft. Niettemin onderbrak Valerius de tekst op maar liefst 76 plaatsen om een lied op te nemen, samen met stukken voor de luit en de cittern op dezelfde melodieën. De belangrijkste bronnen voor Valerius' notatie van de melodieën lijken het Nederlandse liedboek Friesche Lust-hof, originele polyfone muziek van Dowland en Gastoldi, en instrumentale werken uit The First Booke of Consort lessons van Thomas Morley te zijn. Er zouden vele versies van de melodieën in manuscriptvorm hebben gecirculeerd, en slechts een fractie daarvan is bewaard gebleven. Het lijkt uitgesloten dat alle bronnen van Valerius ooit kunnen worden getraceerd. De luitbewerkingen zijn niet bedoeld als begeleiding, maar als zelfstandige instrumentale stukken. Valerius verzamelde ze uit diverse instrumentale bronnen. Er konden slechts twee overeenstemmende bewerkingen worden teruggevonden, en deze stonden in een manuscript – het Thysius-luitboek – dat Valerius hoogstwaarschijnlijk niet heeft kunnen raadplegen. De notatie van de overeenstemmende stukken in de twee bronnen moet gebaseerd zijn geweest op een gemeenschappelijke bron die niet meer te traceren is. In 22 andere gevallen werden echter verwante bewerkingen in verschillende bronnen aangetroffen, wat duidelijk maakt dat we te maken hebben met notaties van reeds bestaande luitbewerkingen. In enkele gevallen kon Valerius blijkbaar geen geschikte bewerking vinden en leverde hij er daarom een uit eigen hand of die van een muzikale vriend. In zeven gevallen wijken de stukken zo sterk af van parallelle bewerkingen dat we mogen aannemen dat Valerius de componist is. Bovendien lijken deze bewerkingen sterk op de citternstukken, waarvan ik veronderstel dat Valerius (of een medewerker) de componist is. De veronderstelling dat de citternbewerkingen het werk waren van Valerius of een muzikaal adviseur is gebaseerd op het feit dat in alle gevallen de door Valerius genoteerde melodie strikt is gevolgd; als deze bewerkingen afzonderlijk waren gemaakt, zoals de meeste luitbewerkingen, zou dit zeker niet het geval zijn geweest.
Adriaen Valerius probably wrote his Nederlandtsche Gedenck-clanck during the years 1620-1624. It is not likely that his death on 27 January 1625 brought a sudden end to his manuscript, for the text does not seem to break off. The Nederlandtsche Gedenck-clanck is not a song book, but a history book chronicling the so-called Eighty Years' War between the Low Countries and Spain. Nevertheless Valerius interrupted the text at no less than 76 points to include a song, together with pieces for the lute and cittern on the same melodies. The main sources of Valerius' notation of the melodies seem to include the Dutch song book Friesche Lust-hof, original polyphonic music by Dowland and Gastoldi , and instrumental works from The First Booke of Consort lessons by Thomas Morley. Many versions of the melodies would have circulated in manuscript, and only a fraction has survived. It would seem out of the question that all Valerius' sources can ever be traced. The lute settings are not intended as accompaniments but as independent instrumental pieces.
Valerius gathered them from various instrumental sources. Only two concordant settings could be traced, and these were found in a manuscript-the Thysius Lute Book - which most probably could not have been consulted by Valerius. The notation of the concordant pieces in the two sources must have been based on a common source which can no longer be traced. In 22 other cases, however, related settings were found in several sources, making it clear that we are dealing with notations of pre-existing lute settings. In a few cases Valerius was apparently unable to find a suitable setting and therefore supplied one from his own hand or that of a musical friend. In seven cases the pieces deviate so much from parallel settings that we may presume Valerius to be the composer. Moreover, these settings are very similar to the cittern pieces, of which I presume Valerius (or an associate) to be the composer. The musical example on pages 143-144 demonstrates the concordance of melody, lute and cittern settings of the song Merck toch hoe sterck (no. 64), a concordance which lends unity to this group of seven songs. The assumption that the cittern settings were the work of Valerius or a musical adviser is based upon the fact that in all cases the melody notated by Valerius has been strictly followed; if these settings had been made separately like most of the lute settings, this would surely not have been the case.
Foundation Musick's Monument