






Moderne Nederlandse Tekst
Staat en inventaris van Jan Lefebure (8 maart 1735)
Inleiding en Gezinssituatie Deze staat en inventaris van de roerende goederen is ingediend bij de weeskamer van de stad Mechelen door de beheerder (de 'rendante', weduwe Maria van Volsem), in aanwezigheid van de getuigen. Zij heeft onder ede verklaard dat dit overzicht van de baten van de nalatenschap juist en deugdelijk is. Opgemaakt ten overstaan van de schepenen J.A.I. van Voorspoel en J.F. Cimbaer op 8 maart 1735.
De inventaris betreft de goederen gevonden in het sterfhuis van wijlen de heer Jan Lefebure, in zijn leven schepen van deze stad, overleden op 28 januari 1733. Hij laat als weduwe achter Maria van Volsem, met drie minderjarige kinderen: Joanna Catharina (ongeveer 10 jaar oud), Maria Theresia (ongeveer 8 jaar oud) en Bello Theresia (ongeveer 4 jaar oud).
De overleden heer Jan Lefebure was eerder weduwnaar van Isabella Saidherbe, met whom hij ook drie kinderen had: Jan Henri, ongeveer 21 jaar oud; Maria Anna, momenteel begijn op het Groot Begijnhof; en Bello Marie. De wettelijke verdeling en boedelscheiding van de goederen uit dit eerste huwelijk was destijds goedgekeurd door de weesmeesters op 11 november 1721. Deze huidige staat is opgemaakt op verzoek van de weduwe Maria van Volsem om te worden overgedragen aan de voogden (momboirs): de heer Carolus Bigée (van moederszijde) en de heer Pieter van Volsem (van moederszijde) voor de kinderen van de weduwe, evenals aan de heer Jan Anne Saidherbe (van moederszijde) voor de kinderen uit het eerste huwelijk.
Baten (Bezittingen en Tegoeden) De weduwe verklaart onder ede dat zij gelooft dat de waarde van de nalatenschap sinds de dood van haar echtgenoot door de omstandigheden is verminderd, maar dat zij te goeder trouw verklaart dat er ook zaken in waarde zijn gestegen.
Gereed geld: Contant geld aanwezig in het sterfhuis: 412 gulden, 2 stuivers, 2 oorden. Tevens één dubbele dukaat.
Huisraad en meubilair: Getaxeerd door Jan vanden Bergh, Augustinus vanden Bergh, Cornelis van Noppen en Johan Verberckt. De totale waarde volgens het register bedraagt: 2200 gulden, 16 stuivers, 2 oorden.
Nota: In deze schatting is ook de boomgaard van 'd'Brijnhont' in de Houwen inbegrepen, die tijdens het huwelijk is aangelegd. Bij een eventuele verkoop van het huis moet de waarde hiervan volgens taxatie worden vergoed.
Winkelvoorraad: Lakens en andere winkelgoederen, opgenomen in aanwezigheid van de voogden: 8239 gulden, 19 stuivers, 2 oorden.
Zilverwerk: Getaxeerd door de heer Saidherbe. Het zilverwerk weegt 47 [ons?] en 2 engelsen, met een geschatte waarde van: 251 gulden, 10 stuivers, 2 oorden.
Juwelen: Getaxeerd door de heer van Eijll. Bestaande uit een ring (waarde 15 goudguldens), twee oorringen (7 goudguldens) en een diamantring (5 goudguldens), samen 27 goudguldens. Omgerekend in courant geld: 189 gulden.
Openstaande vorderingen (goede schulden): Tegoeden uit de schuldboeken van diverse personen waarvan men verwacht dat ze zullen betalen: 4997 gulden.
Winkelvorderingen (onzekere schulden): Openstaande bedragen van klanten voor geleverde winkelwaren ter waarde van 524 gulden en 5 stuivers. Deze worden als 'dubieus' (onzeker) beschouwd. Wat hiervan alsnog binnenkomt, zal gelijkelijk worden verdeeld. (Staat genoteerd voor memorie).
Tegoed meierij: Een vordering op de meierij van de heer meier Borquilemans voor geleverde goederen.
Onroerend goed en renten:
Een huis dat belast is met een rente van 23 gulden aan de 'vrouwen donariens' van de heer Raedt de Burlin. Dit huis is verhuurd aan Henricus Engels voor 125 gulden per jaar. Er is nog een half jaar huur verschuldigd (tot Kerstmis 1734): 62 gulden, 10 stuivers. Dit huis is tevens belast met cijnsen aan de Heren van t'Sertigen (1 gulden, 12 stuivers), aan de heer Ketteren (1 gulden) en aan de broederschap van St. Sebastiaen (1 gulden, 10 stuivers).
Een klein huis in dezelfde straat, dat belast was met een kapitaalrente van 200 gulden wisselgeld aan de heer de la Motte. Deze rente is door de weduwe tijdens het huwelijk afgelost door de levering van winkelwaren (volgens kwitantie van 2 juli 1734). De weduwe en haar kinderen hebben hierdoor een vordering van 150 gulden wisselgeld op dit huis.
Een klein huisje verhuurd aan Jan Baptiste Frans voor 23 gulden per jaar. Er is een huurachterstand van twee jaar (tot half maart 1735). De huurder beweert dat de overleden Jan Lefebure hem één jaar huur had kwijtgescholden, wat de weduwe niet weet (Staat genoteerd voor memorie).
Een kapitaal van 500 gulden wisselgeld, nagelaten aan de overledene tijdens het huwelijk via het testament van wijlen juffrouw Joanna Maria Lefebure (gedateerd 23 mei 1727, gepasseerd voor notaris A.A. van Slabbock).
Erfgoed uit het eerste huwelijk (Jan Lefebure x Isabella Saidherbe): Een huis en grond op de IJzerenleen, genaamd 'de bantsbos', belast met een kapitaal van 4000 gulden aan de erfgenamen van juffrouw Van Broijendevele.
Diverse tegoeden en betalingen:
Een verrekening van de verkoop van lakens voor kleding van officieren. Na aftrek van diverse posten (waaronder een tegoed van schoonzus juffrouw Bigée) blijft er een netto tegoed over van 12 gulden, 9 stuivers, 2 oorden.
Een tegoed van de heer Heil de Brouwer (rentmeester van de stad) voor geleverde winkelwaren en een half jaar lijfrente. Na aftrek van de door de weduwe verschuldigde gemeentelijke belastingen (taxe d'office) resteert een tegoed van 6 gulden, 5 stuivers.
Een vordering op de stad wegens achterstallige lijfrente over 10 maanden en 8 dagen: 34 gulden.
Een vordering op juffrouw Anna Erwans (uit hoofde van juffrouw Maria Lefebure) voor een kapitaal van 50 gulden wisselgeld met achterstallige rente (2 gulden per jaar) sinds 18 september 1727. Deze vordering is overgenomen en vermeldt dat de verplichting gedeeltelijk toebehoorde aan de genoemde juffrouw Bigée, wat na ontvangst zal worden verdeeld.
De waarde van zes tonnen klein bier en twee tonnen goed bier waarover nog geen accijns is betaald: 36 gulden, 18 stuivers.
Een vordering op Majoor Sedmij wegens achterstallige huur: 16 gulden, 13 stuivers, 1 oord.
Een post van 450 gulden die de weduwe heeft betaald voor de intrede van haar stiefdochter als begijn. Dit bedrag wordt als bate opgenomen en in mindering gebracht op haar moederlijk erfdeel.
Statement and Inventory of Jan Lefebure (March 8, 1735)
Introduction and Family Status This statement and inventory of movable property was submitted to the Orphan Chamber (Weeskamer) of the city of Mechelen by the administrator (the 'rendante', widow Maria van Volsem), in the presence of witnesses. She declared under oath that this overview of the estate's assets is correct and proper. Executed before the aldermen J.A.I. van Voorspoel and J.F. Cimbaer on March 8, 1735.
The inventory concerns the property found in the estate of the late Mr. Jan Lefebure, during his lifetime an alderman (Schepen) of this city, who passed away on January 28, 1733. He leaves behind his widow, Maria van Volsem, and three minor children: Joanna Catharina (approx. 10 years old), Maria Theresia (approx. 8 years old), and Bello Theresia (approx. 4 years old).
The late Mr. Jan Lefebure was previously a widower of Isabella Saidherbe, with whom he had three children: Jan Henri, approx. 21 years old; Maria Anna, currently a beguine at the Groot Begijnhof; and Bello Marie. The legal division and settlement of the estate from this first marriage had been approved by the orphan masters on November 11, 1721. This current statement was drawn up at the request of the widow Maria van Volsem to be transferred to the guardians: Mr. Carolus Bigée (maternal side) and Mr. Pieter van Volsem (maternal side) for the widow's children, as well as Mr. Jan Anne Saidherbe (maternal side) for the children of the first marriage.
Assets (Property and Receivables) The widow declares under oath that she believes the value of the estate has decreased since her husband's death due to circumstances, but she states in good faith that certain assets have also increased in value.
Ready Money: Cash present in the house: 412 guilders, 2 stivers, 2 oorden. Also one double ducat.
Household Effects and Furniture: Appraised by Jan vanden Bergh, Augustinus vanden Bergh, Cornelis van Noppen, and Johan Verberckt. The total value according to the ledger is: 2200 guilders, 16 stivers, 2 oorden.
Note: This appraisal includes the orchard of 'd'Brijnhont' in the Houwen, which was planted during the marriage. In the event of a sale of the house, its value must be reimbursed according to appraisal.
Shop Stock: Linens and other shop goods, recorded in the presence of the guardians: 8239 guilders, 19 stivers, 2 oorden.
Silverware: Appraised by Mr. Saidherbe. The silverware weighs 47 [ounces?] and 2 engelsen, with an estimated value of: 251 guilders, 10 stivers, 2 oorden.
Jewelry: Appraised by the Lord of Eijll. Consisting of one ring (valued at 15 gold guilders), two earrings (7 gold guilders), and a diamond ring (5 gold guilders), totaling 27 gold guilders. Converted into current currency: 189 guilders.
Outstanding Receivables (Good Debts): Amounts due from the account books of various persons who are expected to pay: 4997 guilders.
Shop Receivables (Doubtful Debts): Outstanding balances from customers for delivered shop goods valued at 524 guilders and 5 stivers. These are considered 'doubtful'. Whatever is successfully collected will be divided equally. (Noted for memory).
Mayoralty Receivable: A claim against the mayoralty of Mayor Borquilemans for delivered goods.
Real Estate and Annuities:
A house burdened with an annuity of 23 guilders payable to the 'vrouwen donariens' of Councillor De Burlin. This house is rented to Henricus Engels for 125 guilders per year. A half-year of rent is outstanding (up to Christmas 1734): 62 guilders, 10 stivers. This house is also burdened with ground rents (cijnsen) to the Lords of t'Sertigen (1 guilder, 12 stivers), to Lord Ketteren (1 guilder), and to the Confraternity of St. Sebastian (1 guilder, 10 stivers).
A small house in the same street, which was burdened with a principal annuity of 200 guilders in exchange money to Lord de la Motte. This annuity was settled by the widow during the marriage through the delivery of shop goods (according to a receipt dated July 2, 1734). Consequently, the widow and her children hold a claim of 150 guilders in exchange money against this house.
A small house rented to Jan Baptiste Frans for 23 guilders per year. There is a rent arrear of two years (up to mid-March 1735). The tenant claims that the late Jan Lefebure had forgiven him one year of rent, of which the widow is unaware (Noted for memory).
A principal sum of 500 guilders in exchange money, bequeathed to the deceased during the marriage through the will of the late Miss Joanna Maria Lefebure (dated May 23, 1727, executed before notary A.A. van Slabbock).
Inherited Property from the First Marriage (Jan Lefebure x Isabella Saidherbe): A house and land on the IJzerenleen, named 'de bantsbos', burdened with a principal sum of 4000 guilders to the heirs of Miss Van Broijendevele.
Miscellaneous Claims and Payments:
A settlement regarding the sale of linens for officers' clothing. After deducting various items (including a credit from sister-in-law Miss Bigée), a net claim remains of 12 guilders, 9 stivers, 2 oorden.
An amount due from Mr. Heil de Brouwer (city treasurer) for delivered shop goods and a half-year life annuity. After deducting the local taxes (taxe d'office) owed by the widow, a net claim remains of 6 guilders, 5 stivers.
A claim against the city for arrears on a life annuity spanning 10 months and 8 days: 34 guilders.
A claim against Miss Anna Erwans (arising from Miss Maria Lefebure) for a principal sum of 50 guilders in exchange money, with outstanding interest (2 guilders per year) since September 18, 1727. This claim has been assumed, noting that part of the obligation belonged to the aforementioned Miss Bigée, and will be distributed upon collection.
The value of six barrels of small beer and two barrels of good beer on which excise duty has not yet been paid: 36 guilders, 18 stivers.
A claim against Major Sedmij for rent arrears: 16 guilders, 13 stivers, 1 oord.
A sum of 450 guilders paid by the widow for her stepdaughter's entry as a beguine. This amount is recorded as an asset and is to be deducted from her maternal inheritance.
Foundation Musick's Monument