

Matthäus Merian – Topographia Hassiae (1646)
Inleiding:
Om de leefwereld van de nakomelingen van Pfarrer Henricus Diepel beter te begrijpen, moeten we terugkeren naar de 16e en 17e eeuw in Haiger. Zijn theologische nalatenschap in de lokale Stadtkirche zette een keten van religieuze en historische gebeurtenissen in gang. Waar de Reformatie in 1533 begon onder de gematigde leer van Luther, bracht de latere omslag naar het strenge calvinisme rond 1585 grote veranderingen met zich mee. Dit leidde er zelfs toe dat de kleurrijke middeleeuwse fresco’s in de kerk onder een dikke kalklaag verdwenen. In dit artikel duiken we in deze turbulente overgangsperiode om te ontdekken hoe deze religieuze strijd de dagelijkse leefwereld van de familie Diepel voorgoed vormde.

Historische achtergrond:
In 1533 introduceerde Pfarrer Henricus Diepel de Reformatie in de Stadtkirche van Haiger. Zijn zoon Johannes Diepel trad in zijn voetsporen; hij werd in 1561 aangesteld als tweede pastoor van Haiger en klom daar in 1581 op tot eerste pastoor. Rond 1588 leidde het nieuwe reformeerde geloof tot het overstucen van de kleurrijke, middeleeuwse fresco's. Hoewel dit bedoeld was om de beelden te verbergen, bood de stuclaag juist een unieke bescherming. Dit bleek cruciaal tijdens de rampen die volgden. Tussen 1618 en 1648 werd de stad geteisterd door de Dertigjarige Oorlog, hongersnood en de pest. Spaanse troepen veroorzaakten in 1623 een stadsbrand, gevolgd door een nog grotere catastrofe op 8 mei 1723. Deze laatste stadsbrand vernietigde bijna de hele stad, eiste de levens van twaalf inwoners en 600 stuks vee, en beschadigde het kerkdak. De fresco's overleefden de hitte echter dankzij de eeuwenoude beschermlaag.

Henricus Dipel (Inschrijving Marburg, 1604)
Johannes Dipel de Oudere (Inschrijvingen 1618, 1620, 1624/25)

JOHANNES DIEPELIUS - Johannes Dipel de Jongere (Inschrijvingen 1728, 1729, 1731)
Precies 110 jaar na de eerste inschrijving van zijn oudere naamgenoot, schreef een volgende Johannes Dipel (eveneens aangeduid als Johannes Haigeranus) zich in te Marburg. Zijn opeenvolgende inschrijvingen staan gedocumenteerd in de jaren 1728 (index P. 7917), 1729 (P. 7833) en 1731 (P. 7855).
Deze kort opeenvolgende, jaarlijkse registraties wijzen in de 18e eeuw vaak op de formele stappen en overgangen van de algemene studie naar een hogere specialisatie binnen de vakfaculteit van de Rechten of de Theologie. Hij vertegenwoordigt de latere, 18e-eeuwse generatie van de familie Dippel, die hiermee over een periode van meer dan honderd jaar trouw bleef aan haar diepgewortelde academische traditie in Marburg en haar thuisstad Haiger.
De tussengeneratie en inschrijving (1618):
Tussen de stamvader en de latere Antwerpse predikant bekleedde de familie Diepel een constante positie in het regionale kerkelijk landschap. Een directe nakomeling, eveneens geregistreerd onder de Latijnse herkomstnaam Johannes Haigeranus, schreef zich in het historische jaar 1618 in aan de Hoge School van Herborn (Academia Nassauensis). Zijn inschrijving valt samen met het uitbreken van de Dertigjarige Oorlog (1618–1648), een periode die de regio Nassau-Dillenburg zwaar trof.
Kerkelijke loopbaan:
Na het voltooien van zijn theologische opleiding in Herborn werd deze Johannes Diepelius rond 1624/1625 opgenomen in het officiële predikantenregister van de classis Nassau-Dillenburg. Hij trad hiermee in de voetsporen van zijn grootvader Henricus. Uit de regionale Pfarrerbücher blijkt dat hij als predikant en zielzorger actief was binnen het Amt Haiger en de direct omliggende protestantse parochies. Dankzij deze generatie bleef de theologische invloed en de binding van de familie met de Stadtkirche van Haiger gedurende de turbulente eerste helft van de 17e eeuw onafgebroken bestaan.


Daniel Meisner Sciographia Cosmica (1624 Häyer Naßov)





In het stedeke Heyer, een uur van Dillenburg gelegen, is een sware brand geweest, waer door 250 huyzen, alle de stads poorten, de kerk-tooren enz. ; in een groote uur tyds in de asse zyn gelegt; en indien de inwoonders geen gat in de muur van 't kerkhof hadden gebrooken, en daer door geklommen, zouden 'er eenige 100 menschen jammerlyk om het leeven zyn gekomen.
DE BRAND van Haiger 8 Mei 1723

Dieweilen ein and anderer hießiger Stadt und Ampt Kirchen-Kinder nach Verlust der
Kirchen-Protocollen durch den entsetzlichen Brand 1723 den 8. Maii verlangt, dermahlen
Nachricht und Beweiß zu haben ihrer und der Ihrigen ehrlichen Geburt, obschon der
speciale Tag nicht mehr allemahlen zu wißen: So habe, waß wohl wißentlich, hierfolgendts
setzen wollen alß jetziger Pfarrer Johann Henrich Manger.
Met dank aan Sándor Krause en Ivo de Bruin
Sterbebuch Haiger

Bild 7, d.d. 1723
Rodenbach. † Johann Philipp, H[errn] Johann Jacob Diepels, Gerichtschöff[en] und Försters, Söhnch[en], gestorb[en] d[en] 10. Jun[ii], alt 10 Jahr.
Rodenbach: Dit is de woonplaats van het gezin. Rodenbach is een naburig dorp dat destijds onder de parochie van de Stadtkirche van Haiger viel.
Johann Philipp: Dit is het overleden zoontje (Söhnchen).
Herrn Johann Jacob Diepels: De vader. De titel "Herrn" (Heer) werd in die tijd absoluut niet zomaar gebruikt; dit was een exclusief privilege voor gerespecteerde burgers van hoge stand, zoals ambtsdragers en intellectuelen.
Gerichtschöff[en]: Gerechtsschepen (rechterlijk ambtenaar/schout). Hij maakte deel uit van de lokale rechtbank en het dorpsbestuur.
Försters: Boswachter/houtvester. In de 18e eeuw was dit een zeer belangrijke en lucratieve functie in dienst van de landsheer (de Graaf van Nassau-Dillenburg). Hij hield toezicht op de koninklijke jacht en de waardevolle bossen.
Gestorb[en] d[en] 10. Jun[ii], alt 10 Jahr: Gestorven op 10 juni 1723, oud 10 jaar.

Rodenbach Kirche
Noodopvang en de Demografische Piek in Rodenbach
Terwijl de binnenstad een onbewoonbare puinhoop was, fungeerden omliggende, gespaarde dorpen zoals Rodenbach als de primaire opvanglocaties voor honderden plotseling dakloze burgers. Deze acute overbevolking en de onvermijdelijke druk op de leefomstandigheden lieten diepe sporen na in de statistieken van de parochie.
Hoewel de exacte medische doodsoorzaken in de registers ontbreken, laat het overlijdensregister (Beerdigungsregister) in de weken direct na de brand een opvallende, scherpe piek in de kindersterfte zien. Een tragisch symbool hiervan bevindt zich op pagina 'Bild 7': het overlijden van de 10-jarige Johann Philipp op 10 juni 1723. Hij was het zoontje van Johann Jacob Diepels, die als rechtsschepen en boswachter voor de stad Haiger vanuit Rodenbach opereerde.
Crisisbeheersing en Structurele Wederopbouw
Het herstel van de regio werd strak gecoördineerd door het landsheerlijke en kerkelijke gezag. Fürst Christian von Nassau-Dillenburg (wiens portret bewaard is gebleven in het raadhuis van Herborn) stelde direct vorstelijke graanvoorraden open en verleende de getroffenen jarenlange belastingvrijstelling. Daarnaast gaf hij grote hoeveelheden gratis bouwhout vrij uit de omliggende bossen—een logistieke operatie waarbij lokale boswachters zoals Diepels de uitvoerende schakel vormden.
De financiering van de publieke infrastructuur, waaronder het snelle herstel van de zwaar beschadigde Stadtkirche in december 1723, werd mogelijk gemaakt door grootschalige, door het Consistorium goedgekeurde kerkcollectes (Brandkollekten) in binnen- en buitenland.
Voor de sociale en economische nazorg op de langere termijn toonde Fürstin Isabella Charlotte von Nassau-Dillenburg (van wie een prominent staatsieportret als Flora is opgenomen in de Koninklijke Verzamelingen in Den Haag) groot initiatief. Zij richtte in 1735 de Isabellen-Stiftung op. Dit fonds bood niet alleen directe armoedebestrijding aan weduwen en wezen, maar functioneerde tevens als een modern instituut voor microkredieten, waarmee burgers renteloze leningen konden afsluiten om hun bestaan in Haiger en Rodenbach definitief weer op te bouwen.

ISABELLA CHARLOTTE prinses van Nassau-Dietz
Dochter van Hendrik Casimir II en Henriëtte Amalia van Anhalt-Dessau
Leeuwarden 22 januari 1692 – Dillenburg 18 september 1757
Trouwt Oranienstein 15 april 1725 Christiaan vorst van Nassau-Dillenburg 1688-1739

Bild 100, † 17 nov 1740, Jost Diepels, 75 jaar oud, 45 jaar gehuwd, waaruit 4 zonen en 2 dochters, waarvan nu nog in leven de twee dochters en 1 zoon. (zie dopen Antwerpen hieronder: de zoon Johannes Diepelius en de 2 dochters; A. C. Manderbachia geboorne Diepelin & Anna Elisabetha Stichlin, geboorne Diepelin )
1. De tijdlijn en gezinssamenstelling kloppen exact
- Vader Jost Diepels: Overlijdt in 1740 (75 jaar oud, geboren ca. 1665). Trouwt rond 1695.
- Zoon Johannes Diepelius: Schrijft zich in 1735 als 19-jarige in te Leiden (geboortejaar 1716). Dit past perfect binnen het huwelijk van Jost.
- De overlevende zoon: Jost laat in 1740 nog maar één levende zoon na. Johannes leeft op dat moment en is dan 24 jaar oud.
2. Het sluitende bewijs uit de trouwakte (Antwerpen)
Het staat onomstotelijk vast dat Johannes met zijn directe nicht is getrouwd. Dit wordt zwart-op-wit bewezen door de twee tantes die als getuige opkomen:
- Tante 1: Geboren Diepelin (getrouwd binnen de familie Manderbach).
- Tante 2: Eveneens geboren Diepelin.
3. De cirkel van predikantenfamilies
Dat uitgerekend de naam Manderbach hier opduikt, is geen toeval. Net als de familie Diepel was Manderbach een gerespecteerde en invloedrijke Pfarrerfamilie (predikantenfamilie) uit de regio Haiger.
Johanna Elisabeth den 7ten Junii 1724

Heyger
Johann Claß Eychert und Anna Elisabeht, Ehel[eute], eine Tochter, den 7ten Junii 1724
gebohren und den 15ten dito getaufft. Tauff-Zeugen waren Jost Henrich, Andreas
Rudersdorffs ehel[icher] Sohn, und Anna Magdalena, Andreas Ströhmanns ehel[iche]
Tochter, ward genannt: Johanna Elisabeth.
Weil dieses Kind in Abwesenheit des weyl[and] Herrn Johan Henrich Mangers, gewesenen
ersten Predigers hieselbst, von deßen Herrn Sohn, ietzigen zweyten Prediger, getaufft, ist
solches einzuschreiben vergeßen, daher die Eltern mich Unterschriebenen gebeten, dieses
hieher zu setzen. Geschehen den 12ten Aug[usti] 1737 von
Jousseaulme
p[ro] t[empore] erster Prediger hieselbst
*Johann Henrich Mangar, prediger - hochfürstl[icher] Consistorial-Rath
Met dank aan Sándor Krause en Ivo de Bruin
🇬🇧
Haiger
Johann Claß Eychert and Anna Elisabeth, married couple, [had] a daughter, born on June 7, 1724, and baptized on the 15th of the same month. Godparents were Jost Henrich, legitimate son of Andreas Rudersdorff, and Anna Magdalena, legitimate daughter of Andreas Ströhmann. She was named: Johanna Elisabeth.
Because this child was baptized in the absence of the late Mr. Johann Henrich Manger, former first minister here, by his son, the current second minister, this entry was forgotten to be recorded. Therefore, the parents asked me, the undersigned, to insert this here. Done on August 12, 1737, by
Jousseaulme, currently first minister here.
🇳🇱
Haiger
Johann Claß Eychert en Anna Elisabeth, echtelieden, [kregen] een dochter, geboren op 7 juni 1724 en gedoopt op de 15e van dezelfde maand. Doopgetuigen waren Jost Henrich, echtelijke zoon van Andreas Rudersdorff, en Anna Magdalena, echtelijke dochter van Andreas Ströhmann. Zij werd genoemd: Johanna Elisabeth.
Omdat dit kind in afwezigheid van wijlen de heer Johann Henrich Manger, voorheen eerste predikant alhier, door diens zoon, de huidige tweede predikant, is gedoopt, is vergeten dit in te schrijven. Daarom hebben de ouders mij, ondergetekende, verzocht dit hier alsnog te vermelden. Gedaan op 12 augustus 1737 door
Jousseaulme, momenteel eerste predikant alhier.
I. Herkomst en vroege loopbaan Johannes Diepelius (tot 1742)
Geboorte en achtergrond: Johannes Diepelius werd rond 1716 geboren in Haiger, een strategische stad binnen het protestantse graafschap Nassau-Dillenburg. Hij stamde rechtstreeks af van een invloedrijke theologische dynastie; zijn voorouder Henricus Diepel was in 1533 de allereerste protestantse Pfarrer van de lokale Stadtkirche na de Reformatie.
Vooropleiding in de regio (1728): Overeenkomstig de familietraditie werd hij op jonge leeftijd ingeschreven aan de calvinistische Hoge School van Herborn (Academia Nassauensis). Volgens de officiële Matrikel (het studentenregister) staat hij in 1728 vermeld onder zijn Latijnse herkomstnaam Johannes Haigeranus. Dit instituut diende als de intellectuele en theologische bakermat voor de regio Nassau.
Academische studie in Leiden (1735): Om zijn theologische studies te voltooien, migreerde Diepelius naar de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Op 14 september 1735 schreef hij zich op 19-jarige leeftijd officieel in als student theologie aan de prestigieuze Universiteit Leiden(Album Studiosorum).
Proponent en hulpprediker (1738–1741): Na het succesvol afronden van zijn academische examens in Leiden keerde hij terug naar zijn geboorteregio Nassau. Hier legde hij zijn kerkelijke examens af voor de regionale classis en verkreeg hij de formele status van Candidatus Ministerii (proponent), wat hem preekbevoegdheid verleende. In de daaropvolgende jaren verrichtte hij ondersteunende kerkelijke diensten en verving hij predikanten binnen het Amt Haiger en de omliggende parochies. Tijdens deze vroege praktijkjaren opereerde hij binnen de gevestigde theologische en bestuurlijke netwerken van zijn eigen familie.

De inschrijving als „Johannes Diepelius Hegeranus” staat in de officiële Matricula Facultatis Theologicae van de Hohe Schule Herborn

LEIDEN

ANTWERPEN
II. Beroeping naar de Antwerpse Kruisgemeente (1742)
Kerkelijke context: In de vroege maanden van 1742 ontving Diepelius een officieel beroep vanuit de Republiek om predikant te worden in de Zuidelijke Nederlanden. Hij accepteerde de aanstelling bij de Protestantse Kruisgemeente 'De Olijfberg' in Antwerpen. Deze stad stond destijds onder het strikte bewind van de katholieke Oostenrijkse Habsburgers, waardoor de openbare uitoefening van het protestantse geloof wettelijk verboden was.
De rechtspositie en organisatie: De gemeenschap functioneerde noodgedwongen ondergronds als een zogeheten 'Kruisgemeente'. De diensten mochten geen uiterlijke kenmerken van een kerk vertonen en vonden in het diepste geheim plaats in wisselende, particuliere kamers of verborgen achtergevels in de Antwerpse binnenstad.
Omvang van de gemeente: Volgens de bewaarde administratie en rapportages aan de overkoepelende kerkelijke organen in het Noorden, trof ds. Diepelius bij zijn intrede in 1742 een uiterst gemarginaliseerde gemeenschap aan. De actieve kern bestond uit slechts zes vaste protestantse families (waaronder de prominente familie Riemensnijder) met in totaal 26 belijdende lidmaten, incidenteel aangevuld met passerende protestantse kooplieden of reizigers. Diepelius droeg hier de volledige spirituele en administratieve verantwoordelijkheid onder constante dreiging van ontdekking door de lokale autoriteiten.
ANTWERPEN - HET CONFLICT en het huwelijk van dominee Diepelius met zijn nicht Johanne Elisabeth Eychert 1751
Het jaar 1751 werd gemarkeerd door een disciplinaire crisis binnen de kerkenraad rondom dominee Diepelius. De predikant had een buitenechtelijk kind verwekt bij zijn nicht en huishoudster. Hoewel het kind na de geboorte werd gedoopt, werd het vroege overlijden ervan nadien geheim gehouden. Nadat de situatie escaleerde, stelden deputaten de predikant onder censuur en legden hem een gefaseerd boetetraject op.
De handhaving hiervan stuitte op interne problemen. Kerkenraadslid Riemensnijder was zelf moreel gecompromitteerd en bezat weinig autoriteit, waardoor ouderling Johannes Daniel Dulcken de tuchtmaatregelen samen met de deputaten moest doorvoeren. Dulcken riep hiervoor de assistentie in van dominee Anemaat uit het grensdorp Ossendrecht. Samen drongen zij aan op een huwelijk en accordeerden zij een verkorte censuurtermijn.
Tijdens de synode in Den Haag op 10 augustus 1751 ontkende Diepelius aanvankelijk de beschuldigingen, om vervolgens onder uitingen van berouw alsnog te bekennen. De censuur werd gehandhaafd, maar de rust keerde grotendeels terug toen Dulcken en ds. Anemaat het paar op 22 augustus 1751 bewogen tot een huwelijk. Dit huwelijk werd prominent gedocumenteerd op een volledige pagina in het kerkboek. De echtelijke status en de latere geboorte van meer kinderen zorgden ervoor dat de kwestie uiteindelijk minnelijk werd bijgelegd.
EEN ONAANGENAAM MENSCH OP DEN OLIJFBERG.
*Dr J. B. du Buy
DE GESCHIEDENIS VAN DEN BRABANDSCHEN OLIJFBERG Uitgegeven onder auspiciën van de
VEREENIGING VOOR DE GESCHIEDENIS VAN HET BELGISCH PROTESTANTISME BRUSSEL - 1960
Johanna Elisabeth den 7ten Junii 1724

Heyger
Johann Claß Eychert und Anna Elisabeht, Ehel[eute], eine Tochter, den 7ten Junii 1724
gebohren und den 15ten dito getaufft. Tauff-Zeugen waren Jost Henrich, Andreas
Rudersdorffs ehel[icher] Sohn, und Anna Magdalena, Andreas Ströhmanns ehel[iche]
Tochter, ward genannt: Johanna Elisabeth.
Weil dieses Kind in Abwesenheit des weyl[and] Herrn Johan Henrich Mangers, gewesenen
ersten Predigers hieselbst, von deßen Herrn Sohn, ietzigen zweyten Prediger, getaufft, ist
solches einzuschreiben vergeßen, daher die Eltern mich Unterschriebenen gebeten, dieses
hieher zu setzen. Geschehen den 12ten Aug[usti] 1737 von
Jousseaulme
p[ro] t[empore] erster Prediger hieselbst
*Johann Henrich Mangar, prediger - hochfürstl[icher] Consistorial-Rath
Met dank aan Sándor Krause en Ivo de Bruin
🇬🇧
Haiger
Johann Claß Eychert and Anna Elisabeth, married couple, [had] a daughter, born on June 7, 1724, and baptized on the 15th of the same month. Godparents were Jost Henrich, legitimate son of Andreas Rudersdorff, and Anna Magdalena, legitimate daughter of Andreas Ströhmann. She was named: Johanna Elisabeth.
Because this child was baptized in the absence of the late Mr. Johann Henrich Manger, former first minister here, by his son, the current second minister, this entry was forgotten to be recorded. Therefore, the parents asked me, the undersigned, to insert this here. Done on August 12, 1737, by
Jousseaulme, currently first minister here.
🇳🇱
Haiger
Johann Claß Eychert en Anna Elisabeth, echtelieden, [kregen] een dochter, geboren op 7 juni 1724 en gedoopt op de 15e van dezelfde maand. Doopgetuigen waren Jost Henrich, echtelijke zoon van Andreas Rudersdorff, en Anna Magdalena, echtelijke dochter van Andreas Ströhmann. Zij werd genoemd: Johanna Elisabeth.
Omdat dit kind in afwezigheid van wijlen de heer Johann Henrich Manger, voorheen eerste predikant alhier, door diens zoon, de huidige tweede predikant, is gedoopt, is vergeten dit in te schrijven. Daarom hebben de ouders mij, ondergetekende, verzocht dit hier alsnog te vermelden. Gedaan op 12 augustus 1737 door
Jousseaulme, momenteel eerste predikant alhier.
De Druk van Ouderling Dulcken en de Schorsing
Toen de buik van het nichtje JOHANNA ELISABETH begon te groeien, ontkende Diepelius aanvankelijk in alle toonaarden. Zoals Johannes Lodewijk Dulcken (de zoon van de beroemde klavecimbelbouwer Johan Daniel Dulcken) in zijn brieven schrijft:
"Je moet je eens voorstellen hoe beledigend en schandelijk dit voor ons allemaal is geweest: nadat zijn vrouw was overleden, verleidde en impregneerde hij een jong meisje – zijn eigen nichtje, die aan zijn zorg als predikant was toevertrouwd. Niet alleen ontkende hij dit tegenover mijn vader onder de meest heilige eden, maar om zijn leugen geloofwaardig te maken dwong hij de vrouw ook om amper zes of zeven dagen na de bevalling in de kerk te verschijnen om gezegend te worden. Dit gebeurde met gevaar voor haar eigen leven. Kort daarna stuurde hij haar weg naar Holland."
De straatjongens in Antwerpen riepen de protestantse kerkgangers destijds op straat achterna: "Jullie geile pastoor heeft een kind gemaakt!"
Ouderling Johan Daniel Dulcken pikte deze schande, die het voortbestaan van de kleine, gedoogde protestantse gemeenschap in het katholieke Antwerpen direct in gevaar bracht, absoluut niet. Hij bracht de zaak voor de Deputaten (het toezichthoudende kerkorgaan). De Deputaten grepen hard in en schorsten dominee Diepelius uit zijn ambt. Pas toen de druk onhoudbaar werd en Dulcken bleef eisen dat er orde op zaken werd gesteld, gaf Diepelius toe en trouwde hij noodgedwongen met zijn nichtje.


1751. Den 23 Augústús in ondertrou opgenomen
Den Eerw: Heer Johannes Diepeliús
J: M: geboren te Heijger int Nassaú
Dillenbúrgse, bedienaar des godde=
lijken woords in de Krúisgemeente
te Antwerpen.
met
Júffw. Johanna Elizabet Eichartin
zijne Nigte J: D: ook aldaar
geboren, en woonagtig te Ant=
werpe voor het tegenwoordige.
Desen ondertroú is geschiet in te=
genwoordigheyt van den Heer
Ouderling Johan Daniel Dülken.
(Onderste gedeelte, de bevestiging van het huwelijk:)
ick ondergeschrevene predikant te pútte, getúige
by desen heden den 5 September in den Húwelijke
Staat bevestigt te hebben de Weleerw: Heer
Johannes Dipeliús J: M: geboren te Heijger
in 't Nassau Dillenbúrgse, Bedienaar des
Goddeleijken woords in de Krúisgemeente te
Antwerpen
Met
Júffroúw Johanna Elisabet Eeichartin j: D:
oock aldaar geboren en wonende te Antwerpen
Antwerpen Den 5 September 1751
Nicolaús janssen
predicant te Pútte
23 augustus 1751
In ondertrouw opgenomen:
De eerwaarde heer Johannes Diepelius, vrijgezel, geboren te Haiger in het graafschap Nassau-Dillenburg, predikant van de Kruisgemeente te Antwerpen,
met
juffrouw Johanna Elizabet Eichart, zijn nicht, ongehuwde echtgenote-in-spe, eveneens aldaar geboren en vooralsnog woonachtig te Antwerpen.
Deze ondertrouw heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van de heer ouderling Johan Daniel Dülken.
(Bevestiging van het huwelijk onderaan:)
Ik, ondergetekende predikant te Putte, getuig bij dezen dat ik heden op 5 september in de echt heb verbonden: de weledele eerwaarde heer Johannes Diepelius, vrijgezel, geboren te Haiger in Nassau-Dillenburg, predikant van de Kruisgemeente te Antwerpen,
met
juffrouw Johanna Elisabet Reichart (Eichart), ongehuwd, eveneens aldaar geboren en wonende te Antwerpen.
Antwerpen, 5 september 1751
Nicolaus Janssen
Predikant te Putte


🇳🇱
1. De Eerste Doop: Het kind van het schandaal (15 juni 1752)
1752. Den 15 Junij is Gedoopt het Soonje van Johannes Diepelius, en
Johanna Elisabeth Eichart huijs-vrouw, en genaamd Johannes Henricus.
Doopgetuijge zijn gewest d'Heer Eichart, mijner vrouwen Vader, en
d'Heer Jean Henricus Steen, Keijsl: Koopman van Herloo,
met de Juffrouw A. C. Manderbachia geboorne Diepelin. Maar
dit Soonje is gestorven den 6. Aug. 1752 om 7 uuren 's morgens.
De naam van de vader Eichart: De opa van het kind reist (of stuurt een volmacht) naar Antwerpen. Er staat letterlijk: "d'Heer Eichart, mijner vrouwen Vader". De vader van de bruid heette dus ook Eichart.
De Tante Dippel geïdentificeerd: De vrouwelijke getuige is "Juffrouw A. C. Manderbachia geboorne Diepelin". 'Diepelin' is de vrouwelijke vorm van Dippel! I Zij was getrouwd met een meneer Manderbach (gelatiniseerd tot Manderbachius).
Tragedie: Het kind stierf nog geen twee maanden later, op 6 augustus 1752.

🇳🇱
2. De Tweede Doop: (16 juli 1753)
1753. Den 16 Julij is gedoopt een dogterte van Johannes Diepelius
en zijner huijsvrouw, en genaamd Elizabetha (ge-
booren zijnde den 15 Julij 's ogents tusschen 6 en 7 uuren). Doopgetuijgen
gewest Heer Pijl, Ouderling van deese gemeente, uijt Middelburg
als Volmachtiger voor, en Anna Elisabetha Stichlin, geboorne Diepelin
en Anna Elisabetha Eichartin, voorneemlijck tot Heijger.

• NB. mort = → Nota Bene, mortua est (Let wel, overleden)
- A.no 21.mo Maii 1755. → Anno 21mo Maii 1755 (In het jaar 1755, op de 21e mei)
- v. matutino temp:re → vel matutino tempore (ofwel in de ochtendstond / 's morgens)
- inre loram → in re relatam (zoals gerapporteerd / meegedeeld)
- g ab domesticis → gegeven/gemeld door de huisgenoten
Het kindje dat op 26 juli 1753 werd gedoopt, is dus helaas nog geen twee jaar later (op 21 mei 1755) 's morgens overleden.

🇳🇱
3. De Derde Doop: (12 juni 1757)
1757. Den 12 Junij 1757 is Gedoopt het dogterje van Johannes diepelius,
en genaamt Johanna Martina: doopgetuijgen zijn geweest d'Heer
Heer Johannes Lodovicus Held en diezelve Huijsvrouwe Johanna Gledin,
respective predikant tot Niewvliet in Zeeland, en Marthina Boms,
diacon van deese gemeijnde; geboren omtrent 12 uuren des morgens heel vroegh
op den 10 hijer namens; pro memoria.
HAIGER - Trauregister - Taufregister - Beerdigungsregister
Mijn moeder ( Susanne Maria Knöpffel) heeft vaak met betraande oogen geklaagd hoe zij de dominee moest laten zoeken toen mijn vader op sterven lag. Toen hij uiteindelijk in een herberg buiten de stad werd gevonden, was hij door dronkenschap niet eens meer in staat om met mijn vader te bidden. Recent nog heeft hij zich in een herberg zó vreselijk bedronken dat hij zich tijdens het wildplassen zo schandelijk en onbeschaamd heeft gedragen, dat er katholieke buurtbewoners naar ons toe kwamen. Zij vroegen ons hem te waarschuwen en te zeggen dat hij zich in het vervolg moet inhouden en zich niet meer als een beest moet gedragen; anders zouden ze zijn geslachtsdeel eraf snijden, enzovoort.
Zijn levenswandel is in het algemeen zo schandalig dat hij het leven voor ons hier (voor zover dat nog mogelijk is) ondragelijk maakt. Er is hier werkelijk geen enkel gezin dat niet onder hem lijdt. Het gevolg hiervan is dat men hem niet langer waardig acht voor zijn ambt en de mensen wegblijven uit zijn diensten. De armen schieten hierdoor tekort en wij worden beroofd van het kostbare woord van God, omdat we van zo'n pastoor simpelweg niets moeten hebben. Hij staat daardoor voor lege stoelen en banken te preken, tenzij er eens vreemdelingen komen kijken.
Ik heb zelf twintig jaar in Holland gewoond en ben hier vorig jaar vanwege mijn zaken naartoe gekomen, met de bedoeling om hier uiteindelijk met mijn gezin te gaan wonen. Voor mijn werk gebruik ik knechten. Zij gingen, samen met mijn zoontje, altijd trouw naar de kerk. Maar de dominee vond het afgelopen donderdag — op Hemelvaartsdag — nodig om een van hen, Lodewijk Ruijs (een jongen uit een fatsoenlijke familie en van goed gedrag), openlijk tijdens de volle kerkdienst op een buitensporige manier te beledigen.
[Pagina 3]
Om de situatie goed te begrijpen, moet ik vooraf vertellen dat de dominee een dochter heeft van ongeveer 17 jaar. De genoemde Lodewijk Ruijs is een landgenoot van hem en kwam daardoor vaak bij hen over de vloer. Hierdoor kreeg hij contact met het meisje. Dat ging zelfs zo ver dat zij hem zes brieven heeft geschreven, waarin zij hem in de tederste bewoordingen en met dure eden trouw beloofde.
Toen deze Ruijs echter merkte dat haar vader hier fel op tegen was, heeft hij meteen bij het eerste verzoek de brieven aan de dominee overhandigd om ze te laten verbranden. Hij heeft er toen volledig afstand van genomen. Vindt u dat niet juist heel edelmoedig en dankenswaardig van hem?
Maar in plaats van dankbaarheid te tonen, wenkte de dominee die man [Lodewijk Ruijs] vlak voor de preek. Hij zei hardop: "Sta op, ga achteraan zitten!" Ongetwijfeld omdat zijn dochter het niet kon verdragen om hem te zien. Hierop antwoordde mijn knecht: "Waarom dat? Ben ik soms niet net zo eerlijk als de rest?" Waarop de dominee reageerde met: "Nee!" De knecht verliet daarop beschaamd en ontdaan de kerk, maar voegde de dominee nog toe: "Dan zal ik eens kijken wat mij te doen staat."
U zult wel begrijpen dat deze jongeman de zaak hier niet bij kan laten zitten zonder dat hij eerherstel en excuses krijgt. Daarom heb ik de vrijheid genomen om mij namens hem tot u te wenden, met het dringende en nederige verzoek om hem snel recht te doen. Zo hoeven we hier geen rechtszaak bij het stadhuis van te maken. Hij is hier anders namelijk niet van te weerhouden, want een goede naam is een mens het liefste bezit, direct na het leven zelf.
Ik vond het nu nog niet nodig om officiële, beëdigde getuigenverklaringen te verzamelen. Aan de ene kant om onze felle tegenstanders, de katholieken, geen reden te geven om ons uit te lachen en zich te verkneukelen,
(zie ommezijde)
[Pagina 4]
en aan de andere kant omdat ik niet geloof dat de dominee de brutaliteit zal hebben om te ontkennen wat in het openbaar is gebeurd.
In de verwachting dat u snel orde op zaken zult stellen in deze kwestie, heb ik de eer te verblijven met verschuldigde eerbied,
Weleerwaarde heren,
Uw zeer nederige dienaar,
J. L. Dülcken
Antwerpen, 16 mei 1774.
Onder een diplomatieke sluier: De gereformeerde kerkdiensten en het protestantse overleven in Brussel (1764– augustus 1769)
Tussen 1764 en 1769 fungeerde het gezantschap van de Republiek der Verenigde Nederlanden in Brussel als de enige formele schuilplaats voor protestanten in de Zuidelijke Nederlanden. Onder het strikt katholieke Oostenrijkse bewind waren openbare niet-katholieke erediensten en protestantse begrafenissen wettelijk streng verboden. Door slim gebruik te maken van de diplomatieke immuniteit wist de Nederlandse diplomatieke post een vitale, ondergrondse huisgemeenschap in stand te houden. Een reconstructie van een turbulent periode waarin kerkdiensten meeverhuisden met branden en faillissementen, en waarin de gemeenschap via een unieke, pragmatische alliantie met een katholieke kloosterorde haar doden een waardige rustplaats moest geven.
Het wisselende spreekgestoelte: Predikanten en regionaal netwerk
De spirituele continuïteit van de Brusselse ambassadegemeenschap hing af van een kwetsbare opeenvolging van predikanten die door de Staten-Generaal in Den Haag werden beroepen. Meertaligheid was steeds een vereiste voor de predikant die aan de Brusselse kapel van de Staten-Generaal verbonden was. In 1748 waren een kleine honderd protestanten op de ambassade aangewezen, van wie een deel geen Nederlands en een deel geen Frans verstond. Na het overlijden van de predikant in 1758 kon men geen opvolger vinden die beide talen sprak. De predikant van de Brabantse Olijfberg in Antwerpen reisde toen af en toe per trekschuit naar Brussel om de gemeente te verzorgen. Na een snelle wisseling na 1749 — waaronder de korte bedieningen van dominee Fournier en dominee Anosi (afkomstig uit Chur) — werd de periode tussen 1764 en 1776 gekenmerkt door een complex netwerk van pastorale zorg:
Het interim van Johannes Dipelius (1758–1763): Na het overlijden van dominee Anosi bleef de Brusselse preekstoel vacant. In deze kritieke jaren reisde Johannes Dipelius, de standplaatshebbende predikant van Antwerpen, regelmatig naar Brussel om de diensten waar te nemen.
De bediening van Daniël Fehr (1763–1771): Op 24 mei 1763 brachten de Staten-Generaal officieel een beroep uit op Daniël Fehr. Hij nam de leiding op zich vlak voor het rampjaar 1764 en bleef de centrale spil tot zijn vertrek in 1771.
Omdat de Nederlandse Republiek in de achttiende eeuw nog geen permanent vastgoed bezat in Brussel, reisde de gemeente mee met de adellijke panden die de opeenvolgende gezanten privé huurden in de chique Bovenstad (rond de Koudenberg).
Rond het jaar 1764 sloeg het noodlot toe toen het statige woonhuis annex gezantschap van ambassadeur baron Willem van Haren door een felle brand volledig in de as werd gelegd. Hierbij gingen de kerkelijke administratie, archieven en de fysieke inrichting van de provisorische kerkzaal verloren. Gedwongen door het noodlot betrok Van Haren een soberder huurpand nabij de Koudenberg, waar de diensten onder leiding van dominee Fehr direct werden hervat. Getroffen door de enorme financiële klap van de brand raakte Van Haren echter insolvent. In 1767 werd er beslag gelegd op zijn inboedel, wat uiteindelijk leidde tot zijn tragische zelfmoord in 1768.
Na een korte interim-periode nabij de Grote Zavel en de Wolstraat, keerde de rust na 1772 definitief terug onder de nieuwe ambassadeur Wilhem van Citters. Hij richtte een grote kerkzaal in binnen een prestigieus herenhuis aan de Kantersteen.
Twee steden, twee oplossingen: Logistieke camouflage en de rol van de Alexianen
De logistieke organisatie van deze huisgemeenschap vereiste absolute discretie. De bijeenkomstruimte moest van buitenaf volledig onzichtbaar zijn: er mochten geen kruizen, klokken of kerkelijke architectuur te zien zijn. Vanbinnen was de ruimte ingericht als een sobere protestantse kerkzaal, met een eenvoudige houten preekstoel en losse stoelen die na de dienst snel aan de kant konden worden geschoven. Gelovigen betraden het pand via de diplomatieke binnenplaats en moesten zich op straat uiterst onopvallend gedragen om geen diplomatieke incidenten met de Oostenrijkse overheid te veroorzaken.
De dwingende noodzaak tot geheimhouding hield echter niet op bij de dood. Omdat protestanten geen recht hadden op een begrafenis in gewijde katholieke grond, stuitte de gemeenschap op een diep religieus en logistiek probleem.
Hierin verschilde de Brusselse situatie wezenlijk van die in Antwerpen. Antwerpse protestanten losten dit op door hun overledenen op een kar te laden en over de nabijgelegen grens naar de grensregio Putte te transporteren, om hen daar op Staatse (protestantse) bodem te begraven. Voor de Brusselse protestanten was de afstand naar de grens van de Republiek echter veel te groot; een dergelijk openlijk transport over land was onbetaalbaar, riskant en logistiek onhaalbaar.
Brussel moest daarom een unieke, lokale noodoplossing vinden. Dankzij een geheime, stilzwijgende overeenkomst met het Klooster van de Alexianen (ook wel Cellebroeders genoemd) werd een uitweg gevonden. Tot diep in het jaar 1784 werden overleden Brusselse protestanten in het diepste geheim binnengesmokkeld en toevertrouwd aan de aarde in de duistere krochten en crypten onder het Alexianenklooster.
Waarom katholieke monniken meewerkten aan een 'ketters' geheim
De samenwerking tussen de streng-katholieke Alexianen en de protestantse ambassadegemeenschap lijkt historisch tegenstrijdig, maar werd gedreven door een ijzersterke combinatie van humanitaire plicht, financiële noodzaak en politiek pragmatisme:
De zorg voor de verschoppelingen: Als bedelorde hielden de Cellebroeders zich traditioneel bezig met taken waar andere orden hun handen niet aan vuil wilden maken, zoals de zorg voor krankzinnigen, pestlijders en het begraven van de armen en verschoppelingen. Voor deze monniken was een overledene in de eerste plaats een mens die recht had op een fatsoenlijke begrafenis, waardoor zij minder dogmatisch naar de letter van de kerkelijke wet keken.
Discrete financiering: De Alexianen waren chronisch arm en afhankelijk van aalmoezen. De protestantse ambassadegemeenschap daarentegen was relatief vermogend en werd gesteund door de rijke Republiek. De protestanten betaalden de monniken substantiële, discrete vergoedingen en begrafenisrechten om de lichamen ’s nachts te mogen bijzetten. Deze inkomsten waren voor het klooster onmisbaar om hun ziekenzorg overeind te houden.
Een publiek geheim: De Oostenrijkse overheid wist vaak drommels goed wat er zich in de krochten van het klooster afspeelde, maar kneep bewust een oogje toe. Onbegraven lichamen vormden immers een groot risico voor de volksgezondheid en epidemieën. Zolang de begrafenissen strikt clandestien bleven — ’s nachts, in stilte en zonder protestantse gezangen of publieke ceremonies — werd de katholieke openbare orde niet verstoord en hoefde de landvoogd niet hardhandig in te grijpen.


Dopen Protestantse kerk Brussel:




Het wisselende spreekgestoelte: Predikanten en regionaal netwerk
De spirituele continuïteit van de Brusselse ambassadegemeenschap hing af van een kwetsbare opeenvolging van predikanten die door de Staten-Generaal in Den Haag werden beroepen. Na een snelle wisseling na 1749 — waaronder de korte bedieningen van dominee Fournier en dominee Anosi (afkomstig uit Chur) — werd de periode tussen 1764 en 1776 gekenmerkt door een complex netwerk van pastorale zorg:
Het interim van Johannes Dipelius (1758–1763): Na het overlijden van dominee Anosi bleef de Brusselse preekstoel vacant. In deze kritieke jaren reisde Johannes Dipelius, de standplaatshebbende predikant van Antwerpen, regelmatig naar Brussel om de diensten waar te nemen en de kwetsbare kudde te hoeden.
Johannes Diepelius Hegeranus
Brief 4 September 1754
Brief 8 Maart 1775
Foundation Musick's Monument


