Multimedia Art Productions




Scherm­afbeelding 2026-07-26 om 13.16.42

1764 - Susanne Maria Knoefel: deze naar Brussel vertrokken met een kerkelijke attestatie
1769 -
Susanne Maria Knoefel van Brussel vertrokken naar Hasselt ( Overijssel)

Het wisselende spreekgestoelte: Predikanten Brussel

De spirituele continuïteit van de Brusselse ambassadegemeenschap hing af van een kwetsbare opeenvolging van predikanten die door de Staten-Generaal in Den Haag werden beroepen. Na een snelle wisseling na 1749 — waaronder de korte bedieningen van dominee Fournier en dominee Anosi (afkomstig uit Chur).
Het interim van Johannes Dipelius (1758–1763): Na het overlijden van dominee Anosi bleef de Brusselse preekstoel vacant. In deze kritieke jaren reisde Johannes Dipelius, de standplaatshebbende predikant van Antwerpen, regelmatig naar Brussel om de diensten waar te nemen.

HET CONFLICT dominee DIEPELIUS en Johannes Daniel & Johannes Lodewijk Dülcken


img_7183
COMPLETE
JL

[Pagina 1]
Weleerwaarde heren!
Ik hoop dat u mij wilt verontschuldigen dat ik de vrijheid neem om u door middel van deze brief te schrijven. Ik móét namelijk klagen over het slechte gedrag van onze predikant, dominee Dipelius.
Mijn vader ( Johannes Daniel Dülcken), die hier ruim dertig jaar als ouderling heeft gewoond en gewerkt, heeft hier tot aan zijn dood de bitterste vruchten van moeten plukken. U moet zich eens voorstellen hoe aanstootgevend en schandelijk dit voor ons allemaal is geweest: nadat zijn vrouw was overleden, heeft hij een jong meisje — zijn eigen nichtje, dat aan hem als predikant was toevertrouwd — verleid en zwanger gemaakt.
Dit ontkende hij niet alleen ten overstaan van mijn vader onder de meest heilige eden, maar om zijn leugen geloofwaardig te maken, dwong hij de kraamvrouw ook nog om al op de zesde of zevende dag na de bevalling in de kerk te verschijnen om gezegend te worden. Dit was met gevaar voor haar eigen leven. Kort daarna heeft hij haar naar Holland gestuurd.
Ondertussen was deze zaak zó algemeen bekend en zichtbaar, dat we geen voet buiten de deur konden zetten of de straatjongens riepen ons na: "Jullie geile dominee heeft een kind gemaakt!" Maar dit alles zal u ongetwijfeld al bekend zijn,



Onder een diplomatieke sluier: De gereformeerde kerkdiensten en het protestantse overleven in Brussel (1764– augustus 1769)

Tussen 1764 en 1769 fungeerde het gezantschap van de Republiek der Verenigde Nederlanden in Brussel als de enige formele schuilplaats voor protestanten in de Zuidelijke Nederlanden. Onder het strikt katholieke Oostenrijkse bewind waren openbare niet-katholieke erediensten en protestantse begrafenissen wettelijk streng verboden. Door slim gebruik te maken van de diplomatieke immuniteit wist de Nederlandse diplomatieke post een vitale, ondergrondse huisgemeenschap in stand te houden. Een reconstructie van een turbulent periode waarin kerkdiensten meeverhuisden met branden en faillissementen, en waarin de gemeenschap via een unieke, pragmatische alliantie met een katholieke kloosterorde haar doden een waardige rustplaats moest geven.

Het wisselende spreekgestoelte: Predikanten en regionaal netwerk


De spirituele continuïteit van de Brusselse ambassadegemeenschap hing af van een kwetsbare opeenvolging van predikanten die door de Staten-Generaal in Den Haag werden beroepen. Meertaligheid was steeds een vereiste voor de predikant die aan de Brusselse kapel van de Staten-Generaal verbonden was. In 1748 waren een kleine honderd protestanten op de ambassade aangewezen, van wie een deel geen Nederlands en een deel geen Frans verstond. Na het overlijden van de predikant in 1758 kon men geen opvolger vinden die beide talen sprak. De predikant van de Brabantse Olijfberg in Antwerpen reisde toen af en toe per trekschuit naar Brussel om de gemeente te verzorgen. Na een snelle wisseling na 1749 — waaronder de korte bedieningen van dominee Fournier en dominee Anosi (afkomstig uit Chur) — werd de periode tussen 1764 en 1776 gekenmerkt door een complex netwerk van pastorale zorg:

  • Het interim van Johannes Dipelius (1758–1763): Na het overlijden van dominee Anosi bleef de Brusselse preekstoel vacant. In deze kritieke jaren reisde Johannes Dipelius, de standplaatshebbende predikant van Antwerpen, regelmatig naar Brussel om de diensten waar te nemen.

  • De bediening van Daniël Fehr (1763–1771): Op 24 mei 1763 brachten de Staten-Generaal officieel een beroep uit op Daniël Fehr. Hij nam de leiding op zich vlak voor het rampjaar 1764 en bleef de centrale spil tot zijn vertrek in 1771.

Verborgen kerkzalen en het rampjaar 1764

Omdat de Nederlandse Republiek in de achttiende eeuw nog geen permanent vastgoed bezat in Brussel, reisde de gemeente mee met de adellijke panden die de opeenvolgende gezanten privé huurden in de chique Bovenstad (rond de Koudenberg).
Rond het jaar 1764 sloeg het noodlot toe toen het statige woonhuis annex gezantschap van ambassadeur baron Willem van Haren door een felle brand volledig in de as werd gelegd. Hierbij gingen de kerkelijke administratie, archieven en de fysieke inrichting van de provisorische kerkzaal verloren. Gedwongen door het noodlot betrok Van Haren een soberder huurpand nabij de Koudenberg, waar de diensten onder leiding van dominee Fehr direct werden hervat. Getroffen door de enorme financiële klap van de brand raakte Van Haren echter insolvent. In 1767 werd er beslag gelegd op zijn inboedel, wat uiteindelijk leidde tot zijn tragische zelfmoord in 1768.
Na een korte interim-periode nabij de Grote Zavel en de Wolstraat, keerde de rust na 1772 definitief terug onder de nieuwe ambassadeur Wilhem van Citters. Hij richtte een grote kerkzaal in binnen een prestigieus herenhuis aan de Kantersteen.

Twee steden, twee oplossingen: Logistieke camouflage en de rol van de Alexianen

De logistieke organisatie van deze huisgemeenschap vereiste absolute discretie. De bijeenkomstruimte moest van buitenaf volledig onzichtbaar zijn: er mochten geen kruizen, klokken of kerkelijke architectuur te zien zijn. Vanbinnen was de ruimte ingericht als een sobere protestantse kerkzaal, met een eenvoudige houten preekstoel en losse stoelen die na de dienst snel aan de kant konden worden geschoven. Gelovigen betraden het pand via de diplomatieke binnenplaats en moesten zich op straat uiterst onopvallend gedragen om geen diplomatieke incidenten met de Oostenrijkse overheid te veroorzaken.
De dwingende noodzaak tot geheimhouding hield echter niet op bij de dood. Omdat protestanten geen recht hadden op een begrafenis in gewijde katholieke grond, stuitte de gemeenschap op een diep religieus en logistiek probleem.
Hierin verschilde de Brusselse situatie wezenlijk van die in Antwerpen. Antwerpse protestanten losten dit op door hun overledenen op een kar te laden en over de nabijgelegen grens naar de grensregio
Putte te transporteren, om hen daar op Staatse (protestantse) bodem te begraven. Voor de Brusselse protestanten was de afstand naar de grens van de Republiek echter veel te groot; een dergelijk openlijk transport over land was onbetaalbaar, riskant en logistiek onhaalbaar.
Brussel moest daarom een unieke, lokale noodoplossing vinden. Dankzij een geheime, stilzwijgende overeenkomst met het
Klooster van de Alexianen (ook wel Cellebroeders genoemd) werd een uitweg gevonden. Tot diep in het jaar 1784 werden overleden Brusselse protestanten in het diepste geheim binnengesmokkeld en toevertrouwd aan de aarde in de duistere krochten en crypten onder het Alexianenklooster.

Waarom katholieke monniken meewerkten aan een 'ketters' geheim

De samenwerking tussen de streng-katholieke Alexianen en de protestantse ambassadegemeenschap lijkt historisch tegenstrijdig, maar werd gedreven door een ijzersterke combinatie van humanitaire plicht, financiële noodzaak en politiek pragmatisme:
  • De zorg voor de verschoppelingen: Als bedelorde hielden de Cellebroeders zich traditioneel bezig met taken waar andere orden hun handen niet aan vuil wilden maken, zoals de zorg voor krankzinnigen, pestlijders en het begraven van de armen en verschoppelingen. Voor deze monniken was een overledene in de eerste plaats een mens die recht had op een fatsoenlijke begrafenis, waardoor zij minder dogmatisch naar de letter van de kerkelijke wet keken.

  • Discrete financiering: De Alexianen waren chronisch arm en afhankelijk van aalmoezen. De protestantse ambassadegemeenschap daarentegen was relatief vermogend en werd gesteund door de rijke Republiek. De protestanten betaalden de monniken substantiële, discrete vergoedingen en begrafenisrechten om de lichamen ’s nachts te mogen bijzetten. Deze inkomsten waren voor het klooster onmisbaar om hun ziekenzorg overeind te houden.

  • Een publiek geheim: De Oostenrijkse overheid wist vaak drommels goed wat er zich in de krochten van het klooster afspeelde, maar kneep bewust een oogje toe. Onbegraven lichamen vormden immers een groot risico voor de volksgezondheid en epidemieën. Zolang de begrafenissen strikt clandestien bleven — ’s nachts, in stilte en zonder protestantse gezangen of publieke ceremonies — werd de katholieke openbare orde niet verstoord en hoefde de landvoogd niet hardhandig in te grijpen.

Alexiens
Scherm­afbeelding 2026-07-26 om 13.11.24






Dopen Protestantse kerk Brussel:

jean-friederic-dieteric_17700606_johanne-louise-2
marie-sophie-friederica_getuigen-2
friderica-maria-2
frederic_getuigen-romberg_ernst-2

Het wisselende spreekgestoelte: Predikanten en regionaal netwerk

De spirituele continuïteit van de Brusselse ambassadegemeenschap hing af van een kwetsbare opeenvolging van predikanten die door de Staten-Generaal in Den Haag werden beroepen. Na een snelle wisseling na 1749 — waaronder de korte bedieningen van dominee Fournier en dominee Anosi (afkomstig uit Chur) — werd de periode tussen 1764 en 1776 gekenmerkt door een complex netwerk van pastorale zorg:

  • Het interim van Johannes Dipelius (1758–1763): Na het overlijden van dominee Anosi bleef de Brusselse preekstoel vacant. In deze kritieke jaren reisde Johannes Dipelius, de standplaatshebbende predikant van Antwerpen, regelmatig naar Brussel om de diensten waar te nemen en de kwetsbare kudde te hoeden.

  • De bediening van Daniël Fehr (1763–1771): Op 24 mei 1763 brachten de Staten-Generaal officieel een beroep uit op Daniël Fehr. Hij nam de leiding op zich vlak voor het rampjaar 1764 en bleef de centrale spil tot zijn vertrek in 1771.

  • De vacature van 1772 en externe noodhulp: Toen Fehr vertrok, viel de gemeente opnieuw terug op een regionaal netwerk. In 1772 zorgde dominee Weissman uit Namen voor de diensten. Tegelijkertijd sprong dominee Alberti — de aalmoezenier van het in de buurt gelegerde regiment van Waldeck — tussen 1764 en 1775 bij om zevenmaal de heilige doop te bedienen.

  • Het tijdperk van Jean Jacques Hurter (1773–1794): In 1773 werd Jean Jacques Hurter benoemd tot de vaste predikant van het gezantschap. Hij bracht langdurige stabiliteit en bleef in functie tot de uiteindelijke sluiting van de ambassade bij de tweede verovering van Brussel door Franse republikeinse troepen in 1794.











Scherm­afbeelding 2026-07-22 om 10.44.06




Kosmopolitische Grandeur in Brussel: De Muzikale Alliantie tussen Josse Boutmy en Landvoogd Karel van Lorreinen

De relatie tussen de Zuid-Nederlandse componist
Josse Boutmy en landvoogd Karel Alexander van Lotharingen (Karel van Lorreinen) vormde het kloppend hart van het 18e-eeuwse culturele leven in Brussel.

Als eerste organist van de Koninklijke Kapel en persoonlijk klavecimbelmeester aan het hof weerspiegelde Boutmy's carrière de bloeiperiode van de Oostenrijkse Nederlanden onder een kunstminnende vorst. Hun verhouding was exemplarisch voor het klassieke mecenatisme: een harmonieuze uitwisseling van politiek prestige en grensverleggend muzikaal genie.



Een Vorstelijk Mecenaat in Brussel

Wanneer Karel van Lorreinen in de jaren 1740 aantreedt als landvoogd, breekt er een gouden tijdperk aan voor de kunsten in Brussel. De landvoogd streeft ernaar om zijn hof de grandeur van cultuursteden als Wenen en Parijs te geven. Josse Boutmy, afkomstig uit een vooraanstaande Gentse muzikantenfamilie, heeft op dat moment al gediend bij de invloedrijke adellijke familie Thurn und Taxis.
Rond 1744 haalt Karel van Lorreinen Boutmy naar het paleis op de Coudenberg. Hij krijgt twee prestigieuze functies:

  • Eerste Organist van de Koninklijke Kapel: Verantwoordelijk voor de religieuze hofmuziek.

  • Meester-klavecinist van het Hof: Verantwoordelijk voor de muzikale omlijsting van het hofleven en het opleiden van de adellijke jeugd.


[Landvoogd Karel van Lorreinen] (Financiering & Politiek Prestige)

(Mecenatisme / Aanstelling Hof)
[Josse Boutmy] (Organist & Klavecimbelmeester)

(Artistieke Toewijding)
[Troisième Livre de Pièces de Clavecin]



Muziek als Politiek Huldebetoon
De verhouding tussen de componist en de landvoogd was diep verweven met de politieke actualiteit van het vorstendom. Dit bleek overduidelijk in 1749, toen Karel van Lorreinen na de Oostenrijkse Successieoorlog zijn feestelijke, triomfantelijke intrede maakte in Brussel.
Boutmy componeerde speciaal voor deze gelegenheid het programmatische klavecimbelstuk
Entrée de Charles de Lorraine à Bruxelles. Met ronkende, plechtige akkoorden en gesuggereerde fanfarettonen vertaalde hij de politieke macht en de populariteit van de landvoogd rechtstreeks naar de toetsen van het klavecimbel.



Het Derde Klavecimbelboek: Een Italiaanse Vernieuwing
Als bekroning op hun vruchtbare samenwerking publiceerde Boutmy rond 1750 in Brussel zijn magnum opus: het Troisième Livre de Pièces de Clavecin. De weelderig gegraveerde titelpagina laat aan duidelijkheid niets te wensen over: het werk is expliciet opgedragen aan zijn koninklijke hoogheid ("Dédié à S.A.R. Monseigneur le Duc Charles de Lorraine").
Hoewel de suites in dit boek traditionele Franse en Italiaanse barokdansen bevatten – zoals de
Allemande, Courante, Menuet, Gigue en Tambourin – bracht Boutmy hiermee een grote muzikale vernieuwing naar Brussel:
  • De Invloed van Scarlatti: In plaats van vast te houden aan de oudere, strikt Franse tradities, liet Boutmy zich in dit derde boek diep inspireren door de flitsende, virtuoze Italiaanse sonatestijl van Domenico Scarlatti.

  • Klaviervirtuositeit: De muziek kenmerkt zich door een voor die tijd ongekende dynamiek, snelle technische passages en een kosmopolitische mix van stijlen.

Door dit grensverleggende werk aan Karel van Lorreinen te presenteren, leverde Boutmy het ultieme bewijs dat het Brusselse hof artistiek en intellectueel gezien moeiteloos kon wedijveren met de grootste Europese cultuurcentra.



Wederzijds Respect tot het Einde
Boutmy bleef tot op hoge leeftijd in dienst van de koninklijke kapel. Zelfs toen hij in 1777 zijn actieve taken neerlegde, bleef de invloed van de alliantie voelbaar. Dankzij de stabiele positie die hij onder Karel van Lorreinen genoot, kon hij zijn zoon Guillaume Boutmy opleiden, die later eveneens werd benoemd tot organist aan de Koninklijke Kapel in Brussel.
Karel van Lorreinen gaf Boutmy de financiële rust en het koninklijke podium om te excelleren; Boutmy gaf de landvoogd de perfecte, eigentijdse soundtrack van zijn regeerperiode. Samen zorgden zij ervoor dat de 18e-eeuwse Brusselse paleiszalen weerklonken van een unieke, internationale barokklank waarin politieke trots en muzikale innovatie harmonieus samensmolten.

Charles of Lorraine as Patron of Arts
Karel van Lotharingen (Charles of Lorraine) as Patron of Arts - Mattias de Visch


Beschrijving

Borstbeeld van de landvoogd Karel van Lotharingen in een ovaal medaillon dat wordt vastgehouden door Minerva. Links van het medaillon en eronder bemerkt men drie vrouwelijke personificaties: de architectuur met passer en winkelhaak en wijzend naar een tekening van de Poortersloge waar de Brugse academie was gevestigd de schilderkunst met penseel en palet en naast haar op de grond studietekeningen de sculptuur met een beitel in de hand en bezig aan een borstbeeld. Uiterst rechts ziet men drie knaapjes: ieder van hen moet de leerpraktijk van een der drie kunsten uitbeelden: het ene knaapje heeft bouwplannen vast het tweede tekent en het derde beitelt een blazoen in steen. Dit laatste is te identificeren als het wapenschild van Pieter-François-Vincent de Vooght hoogbaljuw van Brugge.

Charles of Lorraine as Patron of Arts

Scherm­afbeelding 2026-07-22 om 10.53.36

Scherm­afbeelding 2026-07-22 om 10.53.11




Palace_of_Charles_of_Lorraine_1 2
Paleis van Karel van Lorreinen Brussel

Landvoogd Karel van Lorreinen staat historisch gezien centraal in de stichting en het behoud van het gebouw dat vandaag bekendstaat als de Protestantse Kerk van Brussel. Onder zijn bewind veranderde deze koninklijke privékapel in een geopolitiek toevluchtsoord.



De Bouwheer en de Eerste Steen (1760)

Als gouverneur-generaal van de Oostenrijkse Nederlanden gaf Karel van Lorreinen in 1757 de aanzet tot de grootschalige verbouwing van zijn paleiscomplex in Brussel. Als kroon op dit neoclassicistische project legde de landvoogd op 1 mei 1760 persoonlijk de eerste steen voor een gloednieuwe Hofkapel aan het Museumplein.
Hij vertrouwde het ontwerp toe aan zijn invloedrijke hofarchitect
Jean Faulte. Faulte creëerde een weelderig zaalkerkje in de Lodewijk XV-stijl dat sterk was geïnspireerd op de koninklijke kapel van het Kasteel van Versailles en de hofkapel van Lunéville. De kapel beschikte over een gesloten, overdekte galerij waarmee de familie van Lorreinen zich volledig afgezonderd van het paleis naar de kerkvloer kon verplaatsen.

[ Landvoogd Karel van Lorreinen ] (Opdrachtgever, 1760)

(Eerste steenlegging)
┌────────────────────────┐
│ Hofkapel (Jean Faulte) │
│ │
│ [ Extraterritoriaal ] │
── (Gedoogbeleid onder de landvoogd:
│ - Privé & Katholiek │ veilige haven voor protestanten)
│ - Gezantschapskapel │
└────────────────────────┘

(Decreet van Napoleon, 1804)
┌────────────────────────┐
│ Protestantse Kerk │
── (Officiële overdracht aan de
│ van Brussel │ protestantse cultus)
└────────────────────────┘